Verklaring
van de Mars Society over het ruimte-initiatief van president
Bush
Op 23 januari 2004 werd de volgende verklaring
over het nieuwe ruimtevaartbeleid van president George W. Bush aangenomen
door de stuurgroep van de Mars Society, met 19 stemmen voor, 3 onthoudingen,
niemand tegen en vijf niet uitgebrachte stemmen.
De toespraak van Bush opent deuren. Het is aan
ons de toekomst te bepalen.
Verklaring van de stuurgroep van de Mars Society,
23 januari 2004
Op 14 januari hield President George Bush een toespraak
op het hoofdkwartier van de NASA waarin hij een nieuwe strategisch visie
ontvouwde voor de Amerikaanse ruimtevaart. Hoewel een aantal van de nieuwe
ideeen voor de uitvoering van dit nieuwe ruimtevaartbeleid aanzienlijk verbeterd
kunnen en moeten worden, betekent het beleid als geheel een belangrijke stap
in de goede richting voor het Amerikaanse ruimtevaartprogramma die veel eerder
genomen had moeten worden. De stuurgroep van de Mars Society verwelkomt daarom
het nieuwe beleid zoals gepresenteerd in de Presidentiele Richtlijn getiteld
"A Renewed Spirit of Discovery", en dringt er bij het Congress ernstig op
aan te zorgen voor de fondsen die noodzakelijk zijn voor de eerste stappen
van het programma in het komende fiscale jaar.
Onze analyse betreffende de belangrijke pluspunten
en de gewenste gebieden voor verbetering van het nieuwe beleid volgt
hieronder.
Analyse
Zoals gezegd, het nieuwe ruimtevaartbeleid van
Bush biedt zowel kansen als valkuilen voor de voorstanders van bemand onderzoek
en van menselijke expansie in de ruimte in het algemeen en op Mars in het
bijzonder. Hoewel het niet echt het begin betekent van een echt
Maan/Mars-programma, omdat bijna alle noemenswaardige technische uitgaven
anders dan aan de bemanningscapsule vooruitgeschoven worden naar regeringen
die in 2009 of later aan de macht komen, maakt het nieuwe beleid in ieder
geval de weg vrij voor de start van zo'n programma, mocht de regering in
2009 daartoe geneigd zijn. Het maakt ook een zekere hoeveelheid energie vrij
die, mits nuttig besteed in de periode 2004-2008, gebruikt kan worden om
de komst te verzekeren van een krachtig bemand onderzoeks-initiatief tijdens
de regeerperiode die begint in 2009.
In zijn toespraak stelde Bush als nieuw doel van
het Amerikaanse ruimtevaartprogramma "het tot stand brengen van menselijke
aanwezigheid in het gehele zonnestelsel". Die verklaring lijkt misschien
niet meer dan een rhetorische versiering maar is eigenlijk van groot concreet
belang voor het programma, want het wettigt NASA-uitgaven aan technologische
ontwikkelingen nodig voor menselijk onderzoek op de maan en op Mars. Dat
soort uitgaven waren verboden tijdens de voorgaande stand van zaken en de
afgelopen tien jaar moesten onderzoekers, op zoek naar financiering, belangrijke
op de Maan en Mars gerichte technische studies rechtvaardigen door het belang
ervan te benadrukken voor andere officiele programma's, zoals de robotische
onderzoeksprogramma's van JPL (Jet Propulsion Laboratory) of het Internationale
Ruimtestation (ISS). Hierdoor was het onmogelijk voldoende fondsen te verwerven
voor een groot aantal technieken, zoals het gebruik van plaatselijke grondstoffen
op andere planeten (in-situ resource utilization ofISRU). Het heeft ook geleid
tot rampen als met het veelbelovende Transhab-project van opblaasbare woonmodules
op Johnson Space Center, dat stopgezet werd toen het Congress erachter kwam
dat interplanetair onderzoekswerk werd gedaan onder de vlag van het
Internationaal Ruimtestation. Om deze reden dat de Mars Society sinds de
oprichtingsconventie in 1998 campagne heeft gevoerd voor de opzet van een
NASA-afdeling speciaal voor de ontwikkeling van technieken voor bemand
ruimteonderzoek, zodat zulke activiteiten in alle openheid kunnen plaatsvinden.
Door het initiatief van Bush is dat doel volledig bereikt, met een gezond
financieel uitgangspunt. Alleen al om deze reden moet de stap van Bush gezien
worden als een erg positieve ontwikkeling.
Het nieuwe beleid zal ook een programma-bureau
in het leven roepen op het NASA-hoofdkwartier, genaamd Code T, dat NASA's
inspanningen om efficiente plannen te maken voor bemand interplanetair onderzoek
belangrijk zal vergroten. Ook dat is een welkome ontwikkeling.
Daarnaast verschaft het beleid van Bush ook een
basis om onderzoeksmogelijkheden voor bemand onderzoek op te nemen in het
ontwerp van interplanetaire robotmissies. Aan het eind van de jaren negentig
probeerden vertegenwoordigers van het onderzoeksbureau voor bemande ruimtevaart
van Johnson Space Center (JSC) gebruik te maken van de mogelijkheid "mee
te liften" met de Mars landers van JPL. Maar omdat de onderzoekers van JSC
geen mandaat en geen geld hadden, beschikten ze noch over de invloed noch
over de fondsen om hun verzoeken kracht bij te zetten en werden ze
dienovereenkomstig behandeld. Onder het nieuwe ruimtevaartbeleid moeten zowel
een mandaat als fondsen beschikbaar zijn om onderzoek met betrekking tot
bemande ruimtevaart aan boord van robot-ruimtevaartuigen naar de Maan en
de planeten te plaatsen. Hierdoor zouden zulke experimenten als betalende
"passagiers" mee kunnen vliegen met wetenschappelijke ruimtesondes van JPL.
Of andersom kunnen wetenschappelijke experimenten mee kunnen reizen aan boord
van ruimtesondes met als hoofddoel het verzamelen van gegevens voor bemand
onderzoek
Het beleid van Bush legt ook vast waar het benodigde
geld een echt bemand onderzoeks-initiatief vandaan moet komen, namelijk uit
de herverdeling van bestaande budgetten van de Space shuttle en het ISS.
Op dit moment bedraagt het budget voor de Shuttle ongeveer vier miljard dollar
per jaar terwijl het ruimtestation ongeveer een a twee miljard per jaar kost.
Dit totaal van vijf tot zes miljard dollar per jaar is meer dan voldoende
om mensen naar zowel de Maan als Mars te krijgen binnen tien jaar na de
eigenlijke aanvang van het programma. Het initiatief kan dus uitgevoerd worden
binnen het bestaande NASA-budget van ongeveer 16 miljard per jaar in dollars
van 2004, een budget dat tijdens de afgelopen vier regeerperiodes gesteund
werd door presidenten en door meerderheden bij beide politieke partijen in
het Congress. De financiele basis voor het programma is dus helder en zeker
niet onrealistisch
In zijn toespraak nodigde de president andere landen
uit samen te werken met de Verenigde Staten aan de uitvoering van het programma.
Wij verwelkomen die oproep, omdat we het er volledig mee eens zijn dat het
onderzoek en de kolonisatie van het zonnestelsel een groots doel is dat kan
helpen om de mensheid samen kan brengen. Dat doel is het waard---en heeft
daar ook behoefte aan--- dat alle volkeren van de Aarde er hun beste talenten
aan besteden.
Om diverse politieke en diplomatieke redenen stelt
het beleid van Bush het einde van de Shuttle en het ISS uit tot 2010, waardoor
het begin van een substantieel bemand onderzoeksprogramma tot ongeveer die
tijd wordt opgeschoven. Op die manier wordt de keus om al dan niet een bemand
Maan/Mars-project op te zetten, en de beslissing over het tempo en de doeleinden
van zo'n programma, in feite in handen gelegd van de regering die aantreedt
in 2009.
De wijsheid van die beslissing is betwistbaar.
Een belangrijk aspect is echter dat de regering van 2009 tenminste een keus
zal hebben. Door duidelijk te maken dat het hoofddoel van het bemande
ruimtevaart-programma is DE RUIMTE TE DOORKRUISEN (de visie uit het
Apollo-tijdperk) in plaats van IN DE RUIMTE TE ZIJN(de visie van het
Shuttle-tijdperk) voorkomt het beleid van Bush op een doeltreffende manier
dat NASA zich vastlegt op een nieuwe generatie ruimteveren (Shuttle 2) als
volgende belangrijke programma. Dit onder de voorwaarde dat het beleid wordt
voortgezet door hetzij Bush' herverkiezing, hetzij de instemming ermee door
een andere regering in 2005.
Nog maar een paar maanden geleden voorzag een
belangrijk deel van de politieke kringen in het congress en bij de NASA dat
zo'n Shuttle 2-programma het volgende belangrijke project van de organisatie
zou moeten zijn na het Internationaal Ruimtestation. Als dat gebeurd was
had de toekomst er als volgt uitgezien: het huidige decennium zou heengaan
met het weer in de lucht brengen van de Shuttle en het afbouwen van het ISS.
Het volgende decennium zou besteed worden aan het rekken van de levensduur
van de Shuttle en de ontwikkeling van Shuttle 2. De jaren twintig zouden
dan een herhaling vormen van de jaren tachtig van de vorige eeuw, in het
teken staand van pogingen Shuttle 2 operationeel te krijgen. Dit zou leiden
tot een besluit in 2030 tot een volgend groot project, waarschijnlijk ISS-2.
Gelukkig is dit scenario van eeuwigdurende stagnatie nu verhinderd.
Het besluit de verantwoordelijkheid voor het ten
uitvoer brengen van het programma en dus ook van de controle erover, aan
de regering van 2009 te geven belooft de komende vijf jaar tot een bijzonder
interessante tijd voor ruimtevaart-pressiegroepen te maken. In zijn toespraak
definieerde Bush menselijke expansie over het zonnestelsel als het doel van
NASA. Hij noemde het idee van een maanbasis, in gebruik te nemen in 2020,
als de strategie om dit doel te bereiken. Dat is een plan, maar in de komende
vijf jaar zullen andere plannen om met maximale snelheid, betrouwbaarheid
en met minimale kosten het gewenste hoofddoel te bereiken, onder de aandacht
van de politiek gebracht worden. Het grote debat over onze strategie om de
Maan en de planeten te bereiken is dus niet afgesloten door de toespraak
van Bush, maar juist geopend.
De overwinning in deze gezonde strijd van ideeen
zal zijn weggelegd voor diegenen die niet alleen de hoofdrolspelers van vandaag
maar ook die van 2009 en later kunnen overtuigen van de waarde van hun concepten.
De Mars Society verwelkomt die uitdaging en zal actief gaan deelnemen aan
deze discussie om haar technische expertise bij te dragen en om de politieke
klasse en de technische gemeenschap, de pers en het publiek het begrip bij
te brengen dat binnen de context van de nieuwe ruimtepolitiek bemand
Mars-onderzoek op korte termijn mogelijk, betaalbaar en de moeite van de
inspanningen en de gevaren werkelijk waard is.
Bij de overgang van het ene soort ruimtevaart-programma
naar het andere moet alles eraan gedaan worden om "collateral damage" (bijkomende
schade) aan waardevolle onderdelen van het oude programma te voorkomen. De
beslissing van NASA, om de geplande Shuttle-vlucht om de Hubble Space Telescope
(HST) te repareren, te verbeteren en in een nieuwe baan te brengen, niet
door te laten gaan is een voorbeeld van het soort fouten dat vermeden moet
worden. The Cosmic Origins
Spectrograph and Widefield Camera 3, ontworpen
om het maximale uit de HST te halen zijn al gebouwd en getest en beloven
een enorme wetenschappelijke opbrengst bij plaatsing in een baan om de Aarde.
Als de plannen van Bush een onmiddelijke beeindiging van de Shuttle-vluchten
zouden inhouden om de 24 miljard nodig voor de voortzetting ervan meteen
te besteden aan een degelijk gefinancierd Maan/Mars-orgramma, zou het besluit
te verdedigen zijn. Maar met het besluit de Shuttle opnieuw te laten vliegen,
levert het afzien van het verbeteren van de Hubble slechts een besparing
van 200 miljoen dollar op, oftewel 1% van het budget van de Shuttle terwijl
90% van het wetenschappelijk nut van de Shuttle verloren gaat. Dat is bijzonder
dwaas.
Argumenten betreffende veiligheid gaan hier ook
niet op; als de Shuttle veilig genoeg is om naar het ISS te vliegen is zij
ook veilig genoeg om de Hubble-missie uit te voeren. Het is waar dat bij
vluchten naar de Hubble geen gebruik kan worden gemaakt van het ISS als
toevluchtsoord bij noodgevallen. Maar de geringe baanhoek van de Hubble maakt
noodlandingen in warme tropische wateren mogelijk, waar de overlevingskansen
van de bemanning veel groter zijn dan in de ijskoude Noord-Atlantische
noodlandingsplaatsen waarin bij vluchten naar het ISS voorzien wordt. Bovendien
is het moeilijk te begrijpen hoe een organisatie die te huivering is om een
Shuttle-vlucht naar de Hubble te ondernemen in alle ernst een reis naar de
Maan of Mars kan overwegen.
Het afgelasten van de Hubble-missie kan daarom
alleen omschreven worden als een ernstige fout, duidelijk gemaakt in het
verlangen doortastend over te komen bij het doorbreken van het oude model
ten gunste van het nieuwe. Naast de schade die wordt toegebracht aan de
astronomie, is het een slechte zaak voor het pasgeboren nieuwe ruimtevaartbeleid
om zijn bestaan te beginnen met zo'n onaangename actie. Onder geen beding
mag ook de beweerde spoedige ingebruikname van de James Webb Space Telescope
geaccepteerd worden als reden voor het in de steek laten van de Hubble. Dat
zou een herhaling betekenen van de fout die NASA maakte door het afdanken
van de Saturnus V-raket ten gunste van de superieur geachte Shuttle, of van
Skylab ten gunste van het ISS - fouten die het ruimteprogramma decennia aan
tijd en tientallen miljarden dollars aan geld kostten. Als de leiding van
NASA niet bij zinnen komt over dit onderwerp moet het Congress krachtig actie
ondernemen om deze bijzonder slechte beslissing terug te draaien.
Technische kwesties
De juiste manier om een programma met als
doelstellingen zowel een permanente maanbasis als bemand Marsonderzoek uit
te voeren is een geheel van transporttechnieken te ontwikkelen waarmee bemande
Marsreizen kunnen ondernomen worden en waarvan een afgeleide versie gebruikt
kan worden voor activiteiten op de Maan. Door het probleem op die manier
te benaderen kan een heleboel tijd en geld bespaard worden, omdat er maar
een enkele set hardware ontwikkeld hoeft te worden in plaats van twee. Ook
de waarde van de Maan als proeftuin voor Marsmissies wordt maximaal benut,
want bij deze benadering worden vluchten naar de Maan ondernomen met
Mars-apparatuur zodat die daar meteen uitgeprobeerd kan worden. Als deze
werkwijze omarmd wordt kan een programma dat begint in 2009 gemakkelijk
resulteren in een bemande Maanlanding in 2015 en kan de eerste bemande
Mars-expeditie in 2018 gelanceerd worden. Het opbouwen van een permanente
maanbasis en het voortzetten van missies naar Mars kan dan tegelijkertijd
plaatsvinden. Omdat het slechts eens in de twee jaar mogelijk is naar Mars
te gaan zal door het gelijktijdig ondernemen van twee projecten simpelweg
het aantal lanceringen naar de Maan tijdens Mars-lanceerjaren wat lager liggen.
Gelijktijdige programma's zouden ook lagere lanceerkosten als voordeel hebben
door intensiever gebruikt van de productiefaciliteiten, omdat de kosten daarvan
bij de bouw van raketten slechts marginaal toenemen bij een hogere productie.
Om een mondaine vergelijking te maken: het kost weinig extra werk om twee
biefstukken te maken in plaats van een, als je ze tenminste tegelijkertijd
bakt. Bij de bouw van raketten gaat die vergelijking des te meer op, omdat
de kosten van arbeid die van materiaal verre overtreffen.
Binnen de context van zo'n goed voorbereid
Maan/Mars-programma zijn er een aantal essentiele technologieen. We bespreken
hier slechts twee van de meest kritische, namelijk zeer krachtige raketten
en plaatselijke grondstofwinning
.
Zeer krachtige raketten.
Het belangrijkste instrument om maanbases en
Marsmissies mogelijk te maken is een zeer krachtig lanceervoertuig met een
op waterstof en zuurstof draaiende bovenste trap die in staat is vracht in
de orde van grootte van vijftig ton in een baan naar de Maan of naar Mars
te brengen. Dit is waartoe in de jaren zestig de Saturnus V in staat was.
Als zo'n voertuig beschikbaar is kunnen retourtjes naar de Maan of enkele
reizen van verblijfsmodules of andere zware ladingen met een enkele lancering
uitgevoerd worden. Ook bemande Marsmissies kunnen uitgevoerd worden door
meerdere onafhankelijke lanceringen van zo'n raket richting Mars, zonder
assemblage in de ruimte, zoals het Mars Direct-plan (Zubrin and Baker, 1990),
het Stanford Mission-plan (Lusignian, et al 1992), en het JSC Design Reference
Mission 3 (Weaver et al, 1994) laten zien.
Zulke lanceersystemen in de Saturnus V-klasse kunnen
op dit moment verkregen worden door in de Shuttle-lanceerinstallatie de
eigenlijke Shuttle te vervangen door een zuurstof/waterstof-bovenste trap
of door de bouw van nieuwe raketsystemen gebaseerd op vloeibare
brandstof.
De Mars Society kreeg recentelijk plannen onder
ogen van een groot lucht- en ruimtevaartbedrijf dat zijn bestaande serie
middenklasse raketten wilde laten uitgroeien tot een familie van modulaire
zware raketten met een capaciteiten van een kwart, de helft of de volledige
Saturnus V-capaciteit. Gebaseerd op de ervaring van het bedrijf met succesvolle
ontwikkeling van raketsystemen, zou het hele programma tot stand gebracht
kunnen worden binnen vijf jaar met ongeveer vier miljard aan ontwikkelingskosten.
De repeterende lanceerkosten voor dit Saturnus V-klasse systeemontwerp zouden
300 miljoen dollar per lancering bedragen wat neerkomt op minder dan 2200
dollar om een kilo vracht in een baan om de Aarde te brengen. De technieken
om zulke raketfamilies te bouwen zijn bekend bij ervaren ruimtevaart-technici
en we twijfelen er niet aan dat de concurenten van dit bedrijf plannen hebben
voor vergelijkbare hardware-sets met vergelijkbare ontwikkelingskosten en
tijdschema's.
De bewering van sommige schertsgeleerden die tegen
ieder bemand ruimtevaart initiatief zijn dat het ontwikkelen van een nieuwe
zeer krachtige raket tientallen miljarden zal kosten is dus duidelijk niet
op feiten gebaseerd. Ook buiten het bemande onderzoeksprogramma zouden dergelijke
raketten overigens tal van toepassingen vinden.
Plaatselijke grondstofwinning
Zowel maanbases als Mars-expedities zouden enorm
voordeel hebben van technieken die gebruik maken van plaatselijke grondstoffen
(in-situ resource utilization of ISRU) voor de productie van brandstof voor
de terugreis, voedsel en zuurstof voor astronauten of brandstof en zuurstof
voor uitgebreide missies op het oppervlak van een planeet. In een groot aantal
studies is aangetoond dat het gebruik van ISRU een bezuiniging oplevert op
het totale gewicht van een missie. Die besparing is ook aanmerkelijk groter
dan bereikt kan worden met geavanceerdere voorstuwingssystemen met veel hogere
ontwikkelings- en verbruikskosten.
Om effectief gebruik te kunnen maken van plaatselijke
grondstoffen zijn zowel chemische processystemen nodig als betrouwbare
energiebronnen. Voor dat laatste zijn in de ruimte gebruikte nucleaire systemen
het meest veelbelovend. Wij geven NASA dan ook een compliment vanwege het
opzetten van Prometheus-project om dat soort nucleaire systemen te ontwikkelen.
We signaleren echter wel dat NASA voor haar nucleaire energiesystemen alleen
toepassing overweegt als krachtbron in ruimteschepen en voor nucleaire
electrische voortstuwing (NEP) Zonder het grote belang van zo'n
voortstuwingssysteem te ontkennen voor robotmissies naar de buitenste regionen
van het zonnestelsel en andere langdurige missies met grote
snelheidsveranderingen, constateren we dat voor de voortstuwing van bemande
missies NEP-eenheden nodig zijn in de orde van grootte van 10.000 kilowatt.
Voor het produceren van brandstof op een ander hemellichaam is het gewenste
vermogen daarentegen slechts 100 kilowatt. Dat heeft er mee te maken dat
een veel kleinere reactor die brandstof maakt op een planeetoppervlak gedurende
lange tijd voorafgaand aan de vlucht energie kan opwekken en opslaan als
chemische brandstof om die energie dan weer vrij te maken zo snel als nodig
is bij de vlucht. De gewichtsbesparingen die met zulke chemische
brandstofsystemen, in combinatie met ISRU, bereikt kunnen worden zijn groter
dan met nucleaire electrische voortstuwing het geval is, terwijl de reistijden
in de binnenste regionen van het zonnestelsel korter zijn (bij toepassingen
op het traject naar de Maan scheelt dat zelfs een factor honderd) Bovendien
kunnen chemische systemen in combinatie met ISRU niet alleen gebruik worden
om van een baan om de ene planeet naar een baan om de andere te komen, maar
ook om van een planeet op te stijgen.
Hoewel kernenergie in de ruimte dus plaatselijke
grondstofwinning mogelijk maakt is het die grondstofwinning zelf die de enorme
kostenbesparing oplevert en die het nut van kernenergie bij bemande ruimtevaart
vergroot. De twee technieken zouden dus naast elkaar ontwikkeld moeten worden
en een gepast deel van het Prometheus-budget zou moeten worden aangewend
om ISRU-toepassingen van kernenergie vluchtklaar te maken en om robotmissies
te ondernemen om die technologie uit te proberen op de Maan en op Mars.
Verder zou aan het Prometheus-programma de eis
toegevoegd moeten worden dat de ontwikkelde energiesystemen op de Maan en
op Mars toegepast moeten kunnen worden, omdat het gebruik ervan om brandstof
en voedsel te produceren verreweg de meest voordelige toepassingswijze is
om op de korte termijn bemande ruimtevaart mogelijk te maken en omdat de
energie in ieder geval nodig is om het werk op de basis mogelijk te
maken.
Zowel ISRU-technologie als de ontwikkeling van
zware raketten zouden dus de komnde tijd hoogste prioriteit moeten hebben
voor het Code T-programma.
Verder moeten er ook andere systemen ontwikkeld
worden met eenzelfde zorg voor maximale wederzijdse toepassingen van hardware
en technologie bij zowel Maan- als Marsmissies.
Politieke consequenties.
De reeks gebeurtenissen die door het nieuwe
ruimtevaartbeleid in gang zijn gezet zullen rond 2009 een beslismoment
veroorzaken met drie alternatieven voor toekomstige actie:
a) De regering van 2009 zou kunnen besluiten het
hele Maan/Mars-programma te schrappen en het Crew Exploration Verhicle (CEW)
simpelweg te gebruiken in combinatie met taditionele raketten als een manier
om het ISS te kunnen blijven bezoeken. Dit zou leiden tot een Mir-achtige
voortzetting van het ISS-programma, waarschijnlijk goedkoper uitgevoerd dan
met Shuttle-lanceringen maar zonder waarneembaar doel. Stagnatie in de ruimte
zou het gevolg zijn voor zolang als de invloed van zo'n beslissing reikt.
De ontwikkeling van zeer krachtige raketten, ISRU en andere noodzakelijke
programma's voor bemande ruimtevaart zou waarschijnlijk tot stilstand
komen.
b)De regering van 2009 zou kunnen beslissen door
te gaan met het idee van een maanbasis in 2020 zonder zich druk te maken
over een Marsmissie behalve door te beweren dat ervaring op de Maan zonder
twijfel later, wanneer anderen erover denken naar Mars te gaan, nuttig zal
zijn. Dit zou resulteren in de ontwikkeling van voornamelijk niet voor Mars
te gebruiken Maan-hardware (met uitzondering van de raket) waardoor het rond
2030, of misschien zelfs 2040, noodzakelijk zou zijn opnieuw een compleet
nieuwe set hardware uit te vinden. Gezien de budgetaire beperkingen van zo'n
op zichzelf staand Maan-programma maakt dat het waarschijnlijk dat de eerste
landing op Mars niet voor het midden van de 21ste eeuw zal plaatsvinden.
Of, met het beperkte nut van voortdurende Maanexpedities zonder werkelijk
perspectief, zou het programma gewoon kunnen doodbloeden.
c)De regering van 2009 zou kunnen besluiten een
bemand Mars-project op te zetten, met het doel binnen tien jaar op Mars te
staan en rond het zevende jaar van het programma expedities naar de Maan
te ondernemen met gebruik van een aangepaste versie van de Mars-hardware.
Omdat er slechts een enkele set hardware ontwikkeld moet worden in plaats
van twee en omdat in de ruimtevaart de kosten een functie zijn van de vereiste
menskracht en de benodigde tijd betekent dit een veel goedkopere benadering
om de doelen van het nieuwe ruimtevaartbeleid te bereiken dan alternatief
b. Bovendien is het de enige benadering die er, binnen het werkzame leven
van elke volwassene van nu, toe zal leiden dat menselijke onderzoekers op
Mars zullen rondlopen.
Het is daarom noodzakelijk dat iedereen die bemand
onderzoek van Mars realiteit wil zien worden alles doet wat hij of zij kan
om te strijden voor de stoutmoedige koers vertegenwoordigd door optie C.
In laboratoria en technische organisaties, in de pers, in de klas en in de
bestuurskamer, in het poolgebied en in de woestijn, in parlementaire kringen
en op ieder forum van de publieke opinie, varierend van boeken tot technische
geschriften en van internetnieuwsgroepen tot praatprogramma's op de radio,
iedereen zal zijn aandeel moeten leveren.
Er is een deur geopend en een strijd van ideeen
die de toekomst van de mensheid voor vele komende jaren zal bepalen is nu
echt begonnen. Waar het toe zal leiden in aan ons. Strijdige visies die twee
weken geleden slechts hypothetische debatten onder ruimte-activisten vormden
staan nu in het centrum van de politieke belangstelling. We verwelkomen de
uitdaging. Want met het verstand als getuige is en moed als gids zullen we
overwinnen.
laatste wijziging: 31 januari 2004